In het lichaam kennen we twee vormen van regel-systemen. Het eerste is het snelle, met electrische impulsen regelend systeem, beter bekend als het zenuwstelsel en de tweede is de wat tragere, maar niet minder belangrijke regelsysteem dat gebruik maakt van hormomen. Hormonen zijn chemische stofjes die door verschillende klieren worden afgegeven aan het bloed en die ervoor zorgen dat andere organen en weefsels in werking worden gezet. Denk maar aan de geslachtshormonen die zorgen voor een eisprong of voor de aanmaak van nieuwe zaadcellen of b.v. hormonen die zorgen voor groei. De schildklier is een hormoonklier dat zorgt voor zeg maar de hele “brandstof-huishouding”.
De Schildklier is gelegen in de hals en bestaat uit twee ovale lichaampjes aan weerzijde van de luchtpijp. De helften zijn met elkaar verbonden door een weefselband, ook wel isthmus genoemd. Aan elk uiteinde van de beide klierhelften zitten in het totaal 4 kleinere lichaampjes, de bijschildklieren, die de kalkhuishouding regelen. Verder zijn er kleinere eilandjes van schildklierweefsel te vinden in de borstkas en rond het hart.
Het in de schildklier voorkomende hormoon is een eiwit (thyroglobuline), gebonden aan jodium verbindingen die in de schildklier worden gesynthetiseerd. In het bloed komt het hormoon hoofdzakelijk voor in de vorm van thyroxine (tetrajodothyronine) T4. T4 is een zogenaamd prohormoon, dat zijn biologische effect pas verkrijgt na omzetting in T3 (trijodothyronine).
De Schildklier zelf wordt gestimuleerd door twee andere hormoonklieren. Als er te weinig T3 in het bloed zit grijpt de hypothalamus (gelegen in de hersenbasis) in en gaat het TRH (Thyroid Releasing Hormoon) produceren. Dit TRH wordt opgevangen door de Hypofyse (ook gelegen in de hersenen) en deze start dan met de productie van het TSH, het Thyroid Stimulating Hormoon. De Schildklier begint dan met de productie van het schildklierhormoon, T4 wat in andere delen van het lichaam weer omgezet wordt in T3 . Dit is wat simpel uitgelegd, want in werkelijkheid is het natuurlijk een heel ingewikkeld systeem van controles, tegenwichten, jodiumopname, toename en afname van de productie van T3 en T4 etc etc., maar het is maar om je een idee te geven hoe en waarom de schildklier zo’n beetje werkt.
Het moge dus duidelijk zijn dat als de schildklier zijn werk niet goed doet de oorzaak hiervan gelegen kan zijn in de schildklier zelf, de hypofyse of de hypothalamus! Hormoon-testen zullen dit dan moeten uitwijzen.
Vergeleken met de mens produceert de hond vermoedelijk 2 tot 3 maal zoveel schildklierhormoon, maar toch zit er normaal gesproken minder in het bloed. Een groot deel wordt n.l. met de uitwerpselen uitgescheiden en de rest wordt sneller verwerkt.
Problemen met de Schildklier:
Een te lage productie van het schildklierhormoon wordt Hypothyreoïdie genoemd, en een te hoge productie Hyperthyreoïdie. Hyperthyreoïdie komt zelden voor bij de hond. Daar en tegen komt Hypothyreoïdie wel voor.
Het schildklierhormoon zorgt er voor dat cellen brandstof verbranden voor energie zodat zij hun taken kunnen verrichten: voedsel verteren, hormomen produceren, urine filteren, reserves opslaan, afvalstoffen verwerken etc etc.
Als de schildklier te weinig hormonen afscheidt ontstaan er dus allerlei problemen in het hele lichaam! De huid bijvoorbeeld zal dunner, minder elastisch, schubbig, korsterig en ontsteking-gevoelig worden omdat het hele proces van aanmaak van nieuw en afsterven van oude cellen wordt verstoord.
Er zijn zoveel symptomen te noemen, maar de voornaamste zijn:
slechte huid en vacht, pigmentatieverlies van de haren, (een “zwarte” verkleuring van de huid, maar hoeft niet), slecht genezen van wondjes, sloomheid, depressie, abnormale loopsheid, verlies van geslachtsdrift, teven blijven leeg of voltooien de dracht niet, langzame pols, kouwelijk, dik worden. Een algemene indruk van “niet zichzelf zijn”. Sommige honden krijgen ook een “trieste blik” in hun ogen omdat de oogleden gaan hangen en soms dekken ze de pupil half af . Een typische uitdrukking van een “schildklierpatiënt”.
Naast deze uiterlijke symptomen zien we af en toe ook een lichte vorm van bloedarmoede door de afname van de aanmaak van rode bloedlichaampjes in het beenmerg. Hoewel dit niet altijd het geval hoeft te zijn, zou een onderzoek hiernaar geen overbodige handeling zijn als er een vermoeden bestaat van Schildklierproblemen.
Diagnose stellen:
Mocht je hond allerlei “onduidelijke” verschijnselen hebben en je vermoed een schildklier probleem, dan is de eerste stap een T4 onderzoek. Een bloedonderzoek naar de T4 waarde geeft veelal een duidelijk antwoord op de vraag of een hond schildklierproblemen heeft. De T4 waarde moet tussen de 19 en 46 liggen. Gaat de uitslag ver boven de 46 uit dan kunnen we spreken van een “Hyper” en als de waarde onder de 19 blijkt te zitten hebben we te maken met een “Hypo”.
Geeft een T4 onderzoek geen duidelijk (of helemaal geen) antwoord op je vraag dan wordt de diagnose stelling moeilijker want de oorzaak kan ook in de hersenen liggen. Dan moet het TSH bepaalt worden in combinatie met T4: is het T4 laag en de TSH niet (>1) dan is er sprake van een primaire hypothyreoïdie, maar als deze situatie lang bestaat (en dat weet je niet, want schildklierproblemen sluipen erin) dan gaat het TSH automatisch naar beneden (hersen passen zich aan), dus de problemen ontstaan met een lage T4 en een lage tot normale TSH want deze kan of primair zijn of secundair. Tegenwoordig bestaat er geen test meer om dat verschil uit te maken en moet er dus gewoon gestart worden met het geven van een thyroxine of verwijzen naar de faculteit voor het maken van een schildklier opname scan met radioactief jodium.
Een verhoogd cholesterolwaarde (vet niveaus in het bloed) en lichte bloedarmoede kunnen helpen de diagnose te stellen, hoewel deze veranderingen ook kunnen worden veroorzaakt door andere aandoeningen.
Behandeling:
Is men tot de conclusie gekomen dat de hond inderdaad een verlaagde schildklier-functie heeft dan is de behandeling daarvan niet zo moeilijk. Het schildklierhormoon is n.l. synthetisch na te maken en dient dan dagelijks (liefst ’s morgens!) te worden toegediend. Bij honden die al duidelijke klachten hadden zien we vrij snel een herstel optreden zodra met de medicatie gestart is. Het spreekt voor zich dat deze medicatie “voor het leven” is, dus strikt iedere dag, voor de rest van het leven moet worden gegeven.
Schildklierproblemen en de fokkerij:
Schildklierafwijkingen komen helaas meestal te laat aan het licht. Een teefje kan al meerdere nesten hebben gehad als de afwijking zich bij haarzelf openbaard of bij meerdere nakomelingen van haar. Dit geldt natuurlijk ook voor een reu, als hij in verschillende combinaties nakomelingen heeft verwekt die een schildklier-probleem krijgen of zelf een schildklier-probleem ontwikkeld.
Het is dan ook niet onverstandig dit teefje en/of deze reu van verdere fok uit te sluiten.
Of Schildklierafwijkingen erfelijk zijn is helaas nog niet wetenschappelijk aangetoond en helaas moeten we ook tot de conclusie komen dat niet alle dierenartsen zo goed op de hoogte zijn van deze afwijking. In dit laatste geval doe je er verstandig aan om, als je een duidelijk vermoeden hebt dat je hond een schildklier probleem heeft, direct om een T4/TSH onderzoek te vragen. Dit kost je niet zo veel, maar kan je een hoop ellende en “van het kastje naar de muur rennen” besparen. Het is bovendien aan te raden nooit een teef tijdens haar loopsheid te laten testen, want tijdens deze periode is haar T4 waarde niet betrouwbaar.
Een verantwoorde fokker fokt niet met lijders aan Schildklierafwijkingen.